Zoeken
  1. De billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer

De billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer

Het arbeidsrecht kent verschillende situaties waarin de rechter, naast de transitievergoeding, een additionele billijke vergoeding kan toekennen aan de werknemer. Zo kan de rechter een billijke vergoeding aan een werknemer toekennen wanneer diens werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, en de werknemer niet om vernietiging van de opzegging verzoekt maar om toekenning van een billijke vergoeding (artikel 7:681 BW). In het New Hairstyle-arrest heeft de Hoge Raad bepaald met welke omstandigheden rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW. Op 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad opnieuw twee uitspraken gedaan over de billijke vergoeding. In deze uitspraken oordeelt de Hoge Raad dat de gezichtspunten uit het New Hairstyle-arrest niet alleen een rol spelen bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW, maar ook bij het bepalen van de omvang van andere billijke vergoedingen. De eerste uitspraak ziet op de billijke vergoeding uit artikel 7:683 BW, dat wil zeggen de billijke vergoeding die de rechter in hoger beroep aan de werknemer kan toewijzen als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst. Deze uitspraak besprak ik in mijn blog van 2 juli 2018. De tweede uitspraak ziet op de billijke vergoeding uit artikel 7:671c BW, namelijk de billijke vergoeding die de rechter aan een werknemer kan toekennen als diens werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten en de rechter de arbeidsovereenkomst om die reden op verzoek van de werknemer ontbindt. Deze uitspraak bespreek ik in deze blog.
Artikel | 03 augustus 2018 | Yvette van den Heuvel

Het arbeidsrecht kent verschillende situaties waarin de rechter, naast de transitievergoeding, een additionele billijke vergoeding kan toekennen aan de werknemer. Zo kan de rechter een billijke vergoeding aan een werknemer toekennen wanneer diens werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, en de werknemer niet om vernietiging van de opzegging verzoekt maar om toekenning van een billijke vergoeding (artikel 7:681 BW). In het New Hairstyle-arrest heeft de Hoge Raad bepaald met welke omstandigheden rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW. Op 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad opnieuw twee uitspraken gedaan over de billijke vergoeding. In deze uitspraken oordeelt de Hoge Raad dat de gezichtspunten uit het New Hairstyle-arrest niet alleen een rol spelen bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW, maar ook bij het bepalen van de omvang van andere billijke vergoedingen. De eerste uitspraak ziet op de billijke vergoeding uit artikel 7:683 BW, dat wil zeggen de billijke vergoeding die de rechter in hoger beroep aan de werknemer kan toewijzen als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst. Deze uitspraak besprak ik in mijn blog van 2 juli 2018. De tweede uitspraak ziet op de billijke vergoeding uit artikel 7:671c BW, namelijk de billijke vergoeding die de rechter aan een werknemer kan toekennen als diens werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten en de rechter de arbeidsovereenkomst om die reden op verzoek van de werknemer ontbindt. Deze uitspraak bespreek ik in deze blog.

Wat waren de feiten?

Werkneemster was in dienst als specialist ouderengeneeskunde bij Zinzia Zorggroep. Werkneemster heeft op enig moment verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een billijke vergoeding. De rechter kan aan een werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671c, tweede lid, BW). De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst inderdaad ontbonden en aan werkneemster een billijke vergoeding toegekend van € 70.000,-. Tegen deze uitspraak heeft Zinzia hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden is maar heeft de billijke vergoeding op een ander lager bedrag begroot, namelijk op een bedrag van € 25.000,-. Werkneemster was het niet eens met ’s Hofs oordeel omtrent de omvang van de billijke vergoeding en is naar de Hoge Raad gestapt.

Oordeel van de Hoge Raad

In de WWZ is niet sprake van één wettelijke, billijke vergoeding, maar van meerdere billijke vergoedingen die elk betrekking hebben op een specifieke, wettelijk omschreven situatie. De rechter kan in de volgende situaties, naast de transitievergoeding, een additionele billijke vergoeding toekennen aan een werknemer:

  1. in geval van ontbinding van een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever (artikel 7:671b lid 8 en lid 9 BW) of op verzoek van de werknemer (artikel 7:671c lid 2 en lid 3 BW);
  2. na beëindiging van een arbeidsovereenkomst van rechtswege (artikel 7:673 lid 9 BW);
  3. na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever als de werknemer verzoekt om een billijke vergoeding in plaats van vernietiging van de opzegging (artikel 7:681 BW);
  4. na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, als de werknemer niet om herstel van de arbeidsovereenkomst verzoekt (artikel 7:682 BW);
  5. indien in hoger beroep wordt geoordeeld dat een kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet had mogen ontbinden en/of een verzoek tot vernietiging of herstel ten onrechte is afgewezen, maar herstel op dat moment niet meer in de rede ligt (artikel 7:683 lid 3 BW).

Met uitzondering van de billijke vergoeding van artikel 7:683 lid 3 (type 5) geldt voor alle billijke vergoedingen dat zij alleen worden toegewezen als de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en er een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbare handelen van werkgever en het eindigen van de arbeidsovereenkomst.

In het New Hairstyle-arrest heeft de Hoge Raad (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW (type 3). Dat zijn de volgende gezichtspunten:

  1. wat zou de werknemer aan loon hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd;
  2. wat is de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken;
  3. zijn de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever toe te rekenen;
  4. heeft de werknemer inmiddels ander werk gevonden en welke inkomsten geniet hij daaruit;
  5. welke andere inkomsten kan de werknemer in redelijkheid in de toekomst verwerven;
  6. wat is de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.

In de eerste uitspraak van 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad bepaald dat deze gezichtspunten zich ook lenen voor het bepalen van de omvang van een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:683 lid 3 BW (type 5).

In de tweede uitspraak van 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze gezichtspunten ook een rol spelen bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding op grond van artikel 7:671c en 7:671b BW (type 1). Dat geldt volgens A-G mr. De Bock in ieder geval voor de gezichtspunten b, d, e en f. De Hoge Raad gaat hierin mee, en oordeelt dat het Hof bij het vaststellen van de billijke vergoeding (terecht) rekening heeft gehouden met het feit dat de werkneemster kort na de ontbindingsbeschikking ergens anders werk heeft gevonden en inkomsten uit dat werk geniet. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof bij het vaststellen van de billijke vergoeding ook (terecht) rekening gehouden met het feit dat de billijke vergoeding deels een middel is om werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Tot slot overweegt de Hoge Raad dat het Hof kan volstaan met het vaststellen van een volgens het Hof passend bedrag (in dit geval € 25.000,-) en hoeft het Hof in de motivering niet in te gaan op (de afwijking van) het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van de billijke vergoeding (in dit geval € 70.000,-). Zelfs als daarmee, zoals in dit geval, een grote terugbetalingsverplichting voor werknemer ontstaat.

Wat is er uit deze uitspraak af te leiden?

De slotsom is dat de billijke vergoeding op de voet van artikelen 7:671b en 7:671c BW (type 1) aan de hand van grotendeels dezelfde gezichtspunten kan worden begroot als de Hoge Raad in de New Hairstyle-beschikking heeft gegeven voor de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW (type 3). Ook deze billijke vergoeding strekt ter compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst is beëindigd.