Zoeken
  1. Internationale Vrouwendag: ode aan pensioenheldin Karin Weber von Hartz!

Internationale Vrouwendag: ode aan pensioenheldin Karin Weber von Hartz!

Op Internationale Vrouwendag past dat vrouwen vanuit solidariteitsoogpunt een ode aan elkaar brengen. Die gelegenheid willen wij als pensioenadvocates niet onbenut laten.
Artikel | 08 maart 2019 | Frédérique Hoppers

Op Internationale Vrouwendag past dat vrouwen vanuit solidariteitsoogpunt een ode aan elkaar brengen. Die gelegenheid willen wij als pensioenadvocates niet onbenut laten.

De belangrijkste “pensioenpiketpaaltjes” van de afgelopen decennia op het terrein van gelijke behandeling volgen in deze bijdrage, met daarbij een ode aan onze pensioenheldin Karin Weber von Hartz. Zij heeft zich strijdbaar opgesteld door tot aan het Hof van Justitie te vechten voor een gelijke positie van vrouwen op pensioenterrein.

Pensioenpiketpaaltjes

Het eerste piketpaaltje is op 8 april 1976 (Defrenne II-arrest) geslagen. In dit arrest is bepaald dat particulieren een rechtstreeks beroep kunnen doen op gelijke beloning. Ook hier betrof het een vrouw die streed voor gelijke behandeling. Er is toen echter nog niets beslist over of ook pensioen eronder kan worden geschaard.

Tien jaar later, op 13 mei 1986, stond onze pensioenheldin Karin Weber von Hartz aan het front  (Bilka-arrest). Mevrouw Weber von Hartz was de eerste vrouw die zich tot aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (EG) hard heeft gemaakt voor de pensioenrechten van een vrouw. Zij werkte parttime bij een werkgever die aan parttime medewerkers geen pensioen toekende. Een maatregel die, zeker in die tijd, met name de vrouwen trof. Zij stelde dat deze pensioenuitsluiting discriminatie op grond van geslacht impliceerde en daarmee in strijd was met het toenmalige artikel 119 EG (nu artikel 157 VWEU). Zij vond gehoor bij het Hof, die vond dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers in strijd is met het beginsel van gelijke beloning.

Het Bilka-arrest heeft de Raad van Ministers van de EG wel aan het denken gezet. Datzelfde jaar nog noemt de Raad de grondslag van artikel 119 EG voor gelijke behandeling voor pensioenregelingen te mager te vinden en heeft om die reden (in navolging van het Bilka-arrest) een Richtlijn aangenomen inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in aanvullende pensioenregelingen. Enige kanttekening: de richtlijn leidt ertoe dat pas vanaf 1 januari 1993 een gelijke behandeling verplicht is. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in pensioenregelingen kon dus nóg langer voortduren, met dien verstande dat een beroep op het (beperktere) artikel 119 EG wel al mogelijk was.

Ook een heer roerde zich in de pensioendiscussie in relatie tot gelijke behandeling, op 17 mei 1990 (Barber-arrest). Douglas Harvey Barber vond het niet terecht dat hij bij een gedwongen ontslag - anders dan vrouwen (vanaf 57-jarige leeftijd) - geen recht had op een onmiddellijk ingaand pensioen. Ook hier werd geoordeeld dat de regeling in strijd was met artikel 119 EG, gelet op het onderscheid dat ten opzichte van vrouwen werd gemaakt. Echter, de heer Barber schoot er voor wat betreft het verleden niets mee op, omdat volgens het Hof pas vanaf de dag van het arrest aanspraak bestond op gelijke behandeling in pensioenregelingen. Daarvóór niet, omdat de werkgever er volgens de eerder genoemde Richtlijn op mocht vertrouwen dat de verplichte ingangsdatum van het verbod van ongelijke behandeling in aanvullende pensioenregelingen pas vanaf 1 januari 1993 gaat gelden.

Ook Nederlandse vrouwen zijn op een gegeven moment in de gelijke behandelingsdiscussie in pensioenregelingen een rol gaan spelen, namelijk op 28 september 1994 (Vroege-arrest)l. Wellicht en gelukkig in de huidige tijdsgeest ondenkbaar, maar het betrof hier een procedure over een pensioenregeling van een pensioenfonds waarin tot 1991 was bepaald dat de regeling alleen openstond voor mannelijke en ongehuwde vrouwelijke werknemers die voor onbepaalde tijd in dienst waren en voor tenminste 80% een dagtaak vervulden. Met andere woorden: gehuwde vrouwen vielen sowieso buiten de boot, net als mannen en vrouwen die minder dan 80% werkten (!). Pas per 1 januari 1991 volgde een nieuwe pensioenregeling, waarin alleen mannen en vrouwen die minder dan 25% werkten, werden uitgesloten. De rechter maakte korte metten met deze pensioenregelingen. Een gelijke behandeling in aansluiting bij een pensioenregeling is (anders dan in het Barber-arrest die zag op de inhoud van de regeling) niet beperkt in tijd en gaat dus al terug vanaf het Bilka-arrest in 1986. De pensioenregeling waarin vrouwen of deeltijdwerknemers worden uitgesloten, is dus niet toegestaan.

Er is dus de afgelopen decennia wel het nodige bereikt in pensioenland. Sinds circa 33 jaar is een uitsluiting op basis van geslacht of arbeidsduur in een aanvullende pensioenregeling niet toegestaan. Sinds circa 29 jaar is ook een onderscheid naar geslacht of arbeidsduur wat betreft de inhoud van de pensioenregeling niet toegestaan.

Het heeft even geduurd, maar hierna zijn ook de ogen van de Nederlandse wetgever op pensioenterrein in relatie tot gelijke behandeling geopend. Vanaf 1 januari 1994 is in de Pensioen- en Spaarfondsenwet in artikel 2a (het huidige artikel 8 Pensioenwet leden 1 tot en met 3) opgenomen, dat:

  1. deeltijdwerknemers niet mogen worden uitgesloten van de pensioenregeling;
  2. wanneer een minimumloongrens voor pensioendeelneming gesteld wordt, dit bij deeltijders pro rato moet worden berekend, en
  3. pensioenaanspraken naar evenredigheid moeten worden vastgesteld (dus ook een herrekening naar voltijd of een pro rato berekening van de franchise).

Anders dan bij de gelijke behandeling zoals die verankerd is voor het arbeidsrecht in artikel 7:648 BW, gaat het hier om hard rules, waarop geen uitzondering (ook niet in geval van een objectieve rechtvaardiging) mag worden gemaakt.

Ongelijk loon

Graag zouden wij het anders zien, maar de realiteit anno 2019 is dat gelijke behandeling ondanks de stappen die gezet zijn, nog steeds een onderwerp is waarvoor gestreden moet worden en helaas niet altijd een vanzelfsprekendheid is. Neem bijvoorbeeld de geconstateerde verschillen in salarissen tussen mannen en vrouwen. Deze verschillen leiden naast een huidig ongelijk inkomstenniveau te zijner tijd tot ongelijke pensioenresultaten. Wij juichen dan ook van harte het initiatiefwetsvoorstel van o.a. Ploumen toe, waardoor werkgevers moeten aantonen dat in de organisatie gelijk loon voor gelijk werk moet worden betaald (omkering van de bewijslast door middel van een certificaat).

Vrouwen in pensioenfondsbestuur

Ook in pensioenfondsenland valt nog veel winst te boeken, daar waar het de positie van vrouwen in het bestuur betreft. Ruim een kwart van de fondsen heeft nog steeds alleen maar oudere mannen in het bestuur, een derde heeft zelfs geen enkele vrouw in het bestuur. Dat is een dramatisch aantal, dat niet kan worden verenigd met de sectorafspraak in de Code Pensioenfondsen dat in pensioenfondsbesturen minimaal één vrouw moet zitten. Maken de mannen onvoldoende plaats? Of spreekt de profielschets en het mannenbolwerk vrouwen onvoldoende aan? Ongetwijfeld liggen er meerdere oorzaken aan ten grondslag, maar dát hier iets aan moet gebeuren, staat wat ons betreft buiten kijf. Zeker binnen een bedrijfstakpensioenfonds waar solidariteit één van de belangrijkste pijlers vormt, mag een meer strijdbare opstelling van zowel mannen als vrouwen verwacht worden.

Hoe is het dan gesteld met het aantal vrouwelijke pensioenadvocaten in Nederland? Wij hebben er nooit een telling op losgelaten, maar wij nodigen u van harte uit eens een pensioenlezing voor juristen bij te wonen en het zelf te komen aanschouwen. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat er veel meer mannen rondlopen. Aan een schatting van de leeftijd zullen wij ons maar niet wagen… Wij blijven in ieder geval strijdbaar, met een gezonde portie passie voor pensioen!