Zoeken
  1. Kantonrechter stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over beëindigen slapende dienstverbanden

Kantonrechter stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over beëindigen slapende dienstverbanden

Ingevolge artikel 392 Rechtsvordering kan een (lagere) rechter een prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag kan worden gesteld wanneer sprake is van een geschil dat is gestoeld op een veelvoorkomend feitencomplex.
Artikel | 17 april 2019 | Anique Sauvé

Ingevolge artikel 392 Rechtsvordering kan een (lagere) rechter een prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad. Een dergelijke vraag kan worden gesteld wanneer sprake is van een geschil dat is gestoeld op een veelvoorkomend feitencomplex. Alsdan bestaat er namelijk een groot maatschappelijk belang om de vraag te beantwoorden, zodat soortgelijke geschillen kunnen worden beslecht met dezelfde uitkomst. Indien een rechter tijdens een rechtbankprocedure een prejudiciële vraag stelt, dan wordt de procedure voor de rechtbank uitgesteld totdat de vraag is beantwoord door de Hoge Raad. Daarna wordt met inachtneming van de antwoorden van de Hoge Raad alsnog door de rechtbank beslist. Een gestarte prejudiciële procedure heeft hoge prioriteit bij de Hoge Raad. Gemiddeld neemt een dergelijke procedure circa 6  maanden in beslag.

Onderling tegenstijdige uitspraken over beëindigen slapende dienstverbanden

In een recente procedure voor de rechtbank Limburg, heeft de advocaat van de werknemer aan de kantonrechter verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen over het beëindigen van slapende dienstverbanden onder toekenning van de transitievergoeding. De rechtbank Limburg overweegt naar aanleiding van dit verzoek het volgende:

“De kantonrechter is doordrongen van de omvang en de ernst van het probleem van de slapende dienstverbanden. Het moet immers meer dan aannemelijk worden geacht dat achter ieder slapend dienstverband een werknemer, al dan niet met gezin, schuil gaat die door hem/haar overkomen omstandigheden werkloos is geworden met alle financiële gevolgen van dien en het hem/haar bij wet toegekende recht op een transitievergoeding niet geldend kan maken. Werkgever heeft het bestaan en de genoemde aantallen van slapende dienstverbanden niet weersproken. Gelet op de tot dusver bestendige jurisprudentie lijkt de route via de ernstige verwijtbaarheid en de schending van de normen van goed werkgeverschap voor werknemers een doodlopende. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de compensatieregeling daarbij over het algemeen nog geen rol speelde. Dat is nu anders en dat leidt tot onderling tegengestelde uitspraken, getuige de recente vonnissen van de Voorzieningenrechter te Den Haag en de kantonrechter te Zwolle. De thans in deze procedure door de werknemer gekozen route via een redelijk voorstel in de zin van Stoof-Mammoet is naar eigen zeggen van de advocaat van werknemer nog niet eerder voorgelegd. De kantonrechter is het met werknemer eens dat gelet op de veelheid aan zaken betreffende slapende dienstverbanden er een grote maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevend standpunt van de Hoge Raad zodat de werkgevers en de werknemers als ook de rechtspraktijk een handvat hebben bij de verdere afwikkeling van deze zaken. Het stellen en beantwoorden van prejudiciële vragen acht de kantonrechter dan ook essentieel om tot een goede beoordeling van deze zaak te komen en voorts om tot een algemeen bruikbare leidraad te komen welke de eenheid van rechtspraak op dit moment zal kunnen bevorderen. De kantonrechter kan zich vinden in de namens werknemer voorgestelde vragen en zal die overnemen.”

De gestelde vragen gaan over de gehoudenheid van een werkgever om een redelijk voorstel van een werknemer tot beëindiging van het slapende dienstverband te accepteren op grond van  het goed werkgeverschap, artikel 7:611 BW (een omgekeerde Stoof-Mammoet situatie). Deze gekozen insteek om betaling van een tranisitievergoeding af te dwingen lijkt nieuw.
Wij kijken met belangstelling uit naar de antwoorden van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen.

De gevorderde transitievergoeding wordt in het kader van de gestelde vragen echter beperkt tot de vergoeding die een werkgever op grond van de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (de zogenaamde compensatieregeling) gecompenseerd kan krijgen van het UWV. In het kader van deze wet is de compensatie die werkgevers van het UWV kunnen ontvangen, afgetopt om de hoogte van de transitievergoeding na ommekomst van de wachttijd.

Voor een volledig overzicht van de gestelde prejudiciële vragen verwijzen wij u naar de betreffende uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 10 april 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331).

Wij houden u van de ontwikkelingen op de hoogte.