Zoeken
  1. Niet altijd recht op betaling inactieve uren bij beschikbaarheidsdiensten

Niet altijd recht op betaling inactieve uren bij beschikbaarheidsdiensten

Bij beschikbaarheidsdiensten waarbij geen verplichting geldt om aanwezig te zijn op de fysieke werkplek bestaat geen onvoorwaardelijk recht op betaling van zogenoemde inactieve uren. Dit heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onlangs, in lijn met jurisprudentie van het Hof Van Justitie van de Europese gemeenschappen, bepaald.De kern van het geschilIn deze zaak bestond verschil van mening over de (wijze van) vergoeding van de door werknemer gewerkte uren in zijn functie van chauffeur/berger. D...
Artikel | 20 februari 2012 | Aletha Dera-ten Bokum
Bij beschikbaarheidsdiensten waarbij geen verplichting geldt om aanwezig te zijn op de fysieke werkplek bestaat geen onvoorwaardelijk recht op betaling van zogenoemde inactieve uren. Dit heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onlangs, in lijn met jurisprudentie van het Hof Van Justitie van de Europese gemeenschappen, bepaald.

De kern van het geschil
In deze zaak bestond verschil van mening over de (wijze van) vergoeding van de door werknemer gewerkte uren in zijn functie van chauffeur/berger. De werknemer diende tijdens bepaalde diensten zijn voertuig mee naar huis te nemen en zich nabij dit voertuig te bevinden, omdat hij binnen twintig minuten na een ongevalmelding ter plaatse diende te zijn. Hierdoor kon hij de inactieve uren in zijn eigen huis doorbrengen. De werkgever vergoedde in dit kader enkel de uren die verband hielden met de feitelijke afhandeling van incidenten (actieve uren). De overige uren, waarbij werknemer niet daadwerkelijk aan het werk was maar wel nabij zijn auto moest verblijven (inactieve uren), niet. De werknemer voerde aan dat de auto zijn werkplek was en verwees naar de Europese Richtlijn (2003/88) ter onderbouwing van zijn stelling dat de inactieve uren ook als arbeidstijd aangemerkt dienden te worden. Daarnaast stelde hij dat actieve en inactieve uren niet verschillend beloond mochten worden.   

Inactieve uren hebben niet altijd te gelden als arbeidstijd
Het gerechtshof overwoog dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie diensten waarbij werknemers fysiek aanwezig moeten zijn om hun werkplek - ook indien die diensten perioden van inactiviteit omvatten (waarin al dan niet geslapen wordt) – in zijn geheel als arbeidstijd moeten worden aangemerkt. Het gerechtshof verwees hierbij naar het Jaegerarrest (LJN BU0250), waaruit onder meer blijkt dat de tijd waarbij een werknemer zich beschikbaar moet houden voor werk op een plek waarbij hij gescheiden is van zijn gezin en sociale leven en minder vrijheid heeft om de tijd te besteden waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, moet worden aangemerkt als arbeidstijd.

Werknemer in deze zaak verbleef gedurende zijn inactieve uren in zijn eigen woning, wat volgens het gerechtshof niet als ‘rondom de werklek (de bergingsauto)’ kon worden gekwalificeerd. Het nam dan ook geen verplichting tot fysieke aanwezigheid op de werkplek aan en hiermee was er geen sprake van arbeidstijd in de zin van Richtlijn 2003/88.   

Differentiatie van beloning voor actieve en inactieve uren is geoorloofd
Aangezien geen sprake was van arbeidstijd oordeelde het gerechtshof in de onderhavige zaak dat de uren niet beloond hoefden te worden. Het gerechtshof ging echter nog een stap verder door te oordelen dat, zelfs wanneer wel sprake was geweest van arbeidstijd tijdens de inactieve uren, de actieve en inactieve uren wel verschillend beloond hadden mogen worden. Dit wordt gemotiveerd met het Jaegerarrest (LJN BU0250) en de Vorelbeschikking (LJN BC8784) van het Hof van Justitie, waaruit volgt dat perioden van daadwerkelijke arbeidsprestaties en perioden waarin geen arbeid wordt verricht verschillend mogen worden beloond, zelfs in de situatie dat diensten volledig als arbeidstijd moeten worden aangemerkt. Hierbij merkt het gerechtshof op dat het uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie (vooralsnog) niet op valt te maken dat dit verschil in beloning gebaseerd moet zijn op een heldere en objectieve maatstaf.

Conclusie
Om inactieve uren aan te kunnen merken als arbeidstijd, en hiermee als werknemer aanspraak te kunnen maken op enige beloning tijdens deze uren, is het noodzakelijk dat een werknemer gedurende de beschikbaarheidsdienst fysiek aanwezig is op een door de werkgever aangewezen plek, waarbij hij gescheiden is van zijn gezin en sociale leven. Daarbij komt dat voor zover de inactieve uren als arbeidstijd dienen te worden aangemerkt, deze uren anders beloond mogen worden dan de actieve uren.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, JAR 2012/34.