Zoeken
  1. Pensioenfondsroute Delta Lloyd houdt stand

Pensioenfondsroute Delta Lloyd houdt stand

De Hoge Raad heeft in december 2013 in de zogenaamde Delta Lloyd-uitspraak bevestigd dat wijziging van de indexatie van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk ook geldt ten opzichte van slapers en pensioengerechtigden. Van belang is dat de wijzigingsbevoegdheid volledig uitgeoefend wordt door het bestuur van het pensioenfonds en niet door de werkgever.In deze uitspraak was het pensioenfonds op grond van de statuten bevoegd wijzigingen aan te brengen in de statuten en het pensioenreglement. Verd...
Artikel | 17 januari 2014 | Henk Hoving
De Hoge Raad heeft in december 2013 in de zogenaamde Delta Lloyd-uitspraak bevestigd dat wijziging van de indexatie van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk ook geldt ten opzichte van slapers en pensioengerechtigden. Van belang is dat de wijzigingsbevoegdheid volledig uitgeoefend wordt door het bestuur van het pensioenfonds en niet door de werkgever.

In deze uitspraak was het pensioenfonds op grond van de statuten bevoegd wijzigingen aan te brengen in de statuten en het pensioenreglement. Verder zijn relevant:

  • de pensioenregeling is altijd onderdeel geweest van de cao, die van toepassing was op de individuele arbeidsovereenkomsten;

    • de cao was standaard geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomsten;



  • daarnaast bestond er een personeelshandboek waarin de statuten en het pensioen­reglement van het pensioenfonds waren opgenomen en die tevens een eenzijdig wijzigingsbeding bevatten;

  • de inhoud van dit personeelshandboek werd in de arbeidsovereenkomsten van toepassing verklaard, met verwijzing naar het in het pensioenhandboek opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding.


Uitspraak

Allereerst besliste het Hof dat de pensioenovereenkomst tussen Delta Lloyd en de pensioen­gerechtigde eisers niet is uitgewerkt bij het einde van de arbeidsovereenkomst, maar pas op het moment dat geen pensioenbetalingen meer verschuldigd zijn. Dit heeft de Hoge Raad in het ECN-arrest van 6 september 2013 ook zo beslist. Zie mijn bijdrage op deze portal van 17 september.

Verder blijft het oordeel van het Hof in stand, dat voor de uitoefening van deze statutaire wijzigingsbevoegdheid door het fondsbestuur slechts de voorwaarde geldt, dat geen sprake is van misbruik van deze bevoegdheid. Misbruik van bevoegdheid kan het geval zijn, indien de wijziging tot vermindering van pensioenaanspraken leidt over achterliggende dienstjaren, waarvoor al premies betaald zijn.

Een ander geval van misbruik van bevoegdheid kan zijn, indien de wijziging door middel van een vermindering van (andere) aanspraken niet strekt tot het herstellen van een verstoord evenwicht tussen enerzijds bezittingen en inkomsten van het fonds en anderzijds de pensioenverplichtingen. De vermindering van aanspraken moet dan voor alle betrokkenen zoveel mogelijk naar evenredigheid plaatsvinden (artikel 105 lid 2 Pensioenwet).

Het vereiste van een zwaarwichtig belang (artikel 7:613 BW) aan de zijde van het pensioenfonds mist toepassing, aldus het hof, omdat dit vereiste alleen geldt tussen werkgever en werknemer en dus niet voor het fonds. Verder overweegt het hof hierover, dat de wijzigingsbevoegdheid van het pensioenfonds niet enkel kan worden beschouwd als een door de werkgever aan het fonds overgedragen bevoegdheid, die het fonds niet meer of andere rechten verschaft dan de werkgever had. Deze nogal cryptische overweging wordt niet verder uitgewerkt en is naar mijn mening onbevredigend. De pensioenregeling is immers allereerst een arbeidsvoorwaarde die vormgegeven wordt in het overleg tussen werkgever en werknemer(s). Het eenzijdig wijzigen van de tussen hen gemaakte pensioenafspraak is in beginsel niet mogelijk. Uitzondering is de wettelijke regel van artikel 7:613 BW, met het vereiste van een zwaarwichtig belang aan de zijde van de werkgever. Dit is dus een waarborg voor de werknemer(s). Niet valt in te zien dat deze waarborg niet zou gelden in de Delta Lloyd zaak.

Toekomst

Voor de situatie waarin de PSW van toepassing was (tot eind 2006) is duidelijk geworden, dat de rechtsgeldige uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid door het pensioenfonds mogelijk is zonder het vereiste van een zwaarwichtig belang.

Maar wat is de situatie sinds inwerkingtreding van de Pensioenwet, vanaf 2007? Sindsdien gelden de artikelen 19 en 20 Pensioenwet.

Het wijzigingsbeding van artikel 19 Pensioenwet is eigenlijk niets nieuws ten opzichte van het al langer geldende artikel 7:613 BW, met het vereiste van een zwaarwichtig belang aan de zijde van de werkgever. Het ligt naar mijn mening voor de hand de strengere norm van een zwaarwichtig belang ook aan te houden bij wijziging van de arbeidsvoorwaarden pensioen (c.q. de pensioenregeling) door het fondsbestuur in plaats van de veel lichtere norm van een evenwichtige belangenafweging tussen de betrokken (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever. Als deze zwaardere norm geldt ten opzichte van de werknemers (deelnemers), is het logisch deze norm ook te laten gelden ten opzichte van de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.

Het hof is in de Delta Lloyd uitspraak erg cryptisch op dit punt. De wijzigingsbevoegdheid van het fondsbestuur ten opzichte van de werknemers (deelnemers) moet gezien worden als de overgedragen bevoegdheid van de werkgever aan het fondsbestuur. Alleen indien en voor zover het fondsbestuur autonoom een bevoegdheid uitoefent, kan ik de redenering van het hof volgen. Het zou dan kunnen gaan om het besluit van het fondsbestuur om op basis van een voorwaardelijke indexeringsaanspraak in enig kalenderjaar wel/niet over te (kunnen) gaan tot daadwerkelijke gehele of gedeeltelijke indexering (artikel 95 Pensioenwet).

Een ander belangrijk aspect is artikel 20 Pensioenwet. Hierin is uitgangspunt dat een wijziging van de pensioenovereenkomst niet mogelijk is van in het verleden opgebouwde pensioenaanspraken. Een voorwaardelijke aanspraak op toekomstige indexeringen valt hieronder; de Delta Lloyd en de ECN-uitspraken over aantasting en wijziging van bestaande aanspraken en rechten vielen nog onder de PSW.

Door de wijziging van de wet- en regelgeving zal de pensioenregeling in veel situaties aangepast moeten worden. Ik doel op de lagere fiscale opbouwpercentages, verdere verhoging van de pensioen/AOW-leeftijd, aftopping fiscale opbouw tot een inkomen van €100.000. Verder zal naar verwachting een nieuw pensioencontract worden ingevoerd. Daarmee hangt samen de zogenaamde invaarproblematiek, dit wil zeggen de omzetting van oude pensioenaanspraken- en rechten (volgens het oude stelsel) in het nieuwe contract.

Hiervan houden wij u op de hoogte via deze portal.