Zoeken
  1. “Seksuele intimidatie op de werkvloer: het bewijs is voor werkgevers vaak lastig om te leveren”

“Seksuele intimidatie op de werkvloer: het bewijs is voor werkgevers vaak lastig om te leveren”

De rechtbank Utrecht deed op 27 juni 2018 een uitspraak over een woonbegeleider van een zorginstelling die gedurende een jaar op het werk seks had met zijn jongere vrouwelijke collega, terwijl die collega verklaarde dat zij hiertoe door de woonbegeleider was gedwongen. De uitspraak kunt u hier nalezen.
Artikel | 13 september 2018 | Yvette van den Heuvel

De rechtbank Utrecht deed op 27 juni 2018 een uitspraak over een woonbegeleider van een zorginstelling die gedurende een jaar op het werk seks had met zijn jongere vrouwelijke collega, terwijl die collega verklaarde dat zij hiertoe door de woonbegeleider was gedwongen. De uitspraak kunt u hier nalezen.

Wat is er gebeurd?

De woonbegeleider was in dienst van een christelijke zorginstelling. Hij werkte daar in een verzorgingstehuis met 15 kwetsbare (jong)volwassenen met niet-aangeboren hersenletsel. Kenmerkend voor deze cliënten is dat bij veel van hen sprake is van ongeremd gedrag op sociaal en seksueel gebied. Deze cliënten zijn bovendien sterk afhankelijk en zij moeten 24 uur per dag begeleid worden. De helft van de cliënten is lichamelijk afhankelijk van intensieve zorg, zoals hulp bij wassen, aankleden, toiletgang, eten en drinken.

Nadat een jongere vrouwelijke collega van de woonbegeleider zich plotseling ziek meldde en kort daarna ontslag nam, startte de zorginstelling een intern onderzoek. Op basis van dit onderzoek kwam vast te staan dat gedurende ongeveer een jaar sprake is geweest van seksuele handelingen tussen de woonbegeleider en de collega, waarbij ook seksuele handelingen op het werk hebben plaatsgevonden. Volgens de collega was sprake van ongewenste intimiteiten waartoe zij door de woonbegeleider (door middel van manipulatie en bedreiging) was gedwongen. Volgens de woonbegeleider was sprake van een seksuele relatie met wederzijdse instemming en wordt hij valselijk beschuldigd.

De zorginstelling gaat uit van de juistheid van de beschuldigingen van de collega en neemt de gebeurtenissen zwaar op, temeer nu de woonbegeleider werkt met deze specifieke cliënten. Een verzwarende omstandigheid is volgens de zorginstelling dat zij een christelijke zorginstelling is waarin christelijke waarden hoog worden gehouden. De zorginstelling heeft daarom verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de woonbegeleider op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen, dan wel op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.

Oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding op grond van verwijtbaar handelen toe. De kantonrechter stelt voorop dat de beschuldigingen van de collega serieus moeten worden genomen en niet lichtzinnig moeten worden opgevat, en dat gedegen onderzoek aangewezen en noodzakelijk is. De kantonrechter overweegt vervolgens dat zij op basis van het huidige dossier geen oordeel kan geven over de gegrondheid van de beschuldigingen omtrent seksueel misbruik. Partijen spreken elkaar op meerdere punten tegen, nader concreet bewijs van het gestelde misbruik ontbreekt en er is geen sprake van een strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke veroordeling, zodat het aan de woonbegeleider verweten seksuele misbruik volgens de kantonrechter in deze procedure niet vaststaat.

De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding uiteindelijk toch toe omdat wel vaststaat dat de woonbegeleider meerdere keren seksuele handelingen heeft verricht met een collega op de werkvloer. Vaststaat dat seksueel contact tussen collega’s heeft plaatsgevonden in een woning van 15 zeer hulpbehoevende cliënten, die zelf op grond van hun aandoening een lastige verhouding hebben met seksualiteit. De kantonrechter vindt het verwijtbaar dat de aandacht van de woonbegeleider tijdens zijn dienst niet beschikbaar was voor die cliënten, omdat hij zijn persoonlijke seksuele behoeftes vooropstelde. Zeker nu de woonbegeleider daarbij het risico aanvaardde dat hij door één van die cliënten zou worden betrapt. Hierbij doet het er volgens de kantonrechter niet toe of de zorginstelling waar dit speelt wel of niet een kerkelijke signatuur heeft.

Wat is uit deze uitspraak af te leiden?

Deze uitspraak laat zien dat het bewijs dat een werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie voor een werkgever vaak lastig te leveren is. In deze zaak kon de kantonrechter het verweten seksueel misbruik niet vaststellen omdat het procesdossier veel vragen bij de kantonrechter had opgeroepen en partijen niet aanwezig waren bij de mondelinge behandeling waardoor die vragen onbeantwoord bleven. Bovendien was er geen strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke veroordeling. Bewijsrechtelijke waarborgen zijn begrijpelijk: juist als een werknemer wordt beschuldigd van iets ernstigs als seksuele intimidatie moet bij betwisting tot de bodem worden uitgezocht of de beschuldigingen juist zijn. De keerzijde is dat zich in het geval van seksuele intimidatie vaak de omstandigheid voordoet dat een gedupeerde geen aangifte doet of niets met de ontslagprocedure te maken wil hebben. Dat maakt ontbinding van een arbeidsovereenkomst vanwege seksuele intimidatie extra lastig voor werkgevers die hiertegen ferm willen optreden. In deze zaak kon de kantonrechter alsnog tot ontbinding overgaan omdat – los van de vraag of de collega daartoe was gedwongen – vaststond dat de woonbegeleider seksuele handelingen met een collega had verricht op de werkvloer. De kantonrechter vond het verwijtbaar dat de woonbegeleider tijdens zijn dienst niet beschikbaar was voor de hulpbehoevende cliënten en dat de woonbegeleider riskeerde dat hij door deze cliënten betrapt werd. Een dergelijke redenering is ook denkbaar bij andere werkgevers dan zorginstellingen met kwetsbare patiënten.

Voor advies over seksuele intimidatie op de werkvloer kunt u contact opnemen met de advocaten uit onze arbeidsrechtelijke vakgroep integriteit (Henk Hoving, Eva Traag en Yvette van den Heuvel). Ook bent u van harte welkom bij het seminar dat deze vakgroep organiseert op 1 november 2018.