De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Slovak-Telekom

Het arrest Slovak Telekom: een eerste indicatie van de positie van het Hof van Justitie in handhavingsprocedures Commissie tegen GAFA?

Op 25 maart 2021 heeft het Hof van Justitie van de EU (‘Hof’) arrest gewezen in de zaken Slovak-Telekom en Deutsche Telekom. De arresten bevatten interessante overwegingen over de mogelijkheden van een dominante onderneming tot toegangsweigering tot zijn netwerk of platform netwerk.
Leestijd 
Auteur artikel Sjaak van der Heul
Gepubliceerd 10 mei 2021
Laatst gewijzigd 10 mei 2021
 

De overwegingen geven mogelijk een eerste aanwijzing over de positie van het Hof in de recente handhavingsprocedures van de Europese Commissie (‘Commissie’) tegen verschillende grote techplatforms, waar wij in een eerder artikel over schreven. Het Hof lijkt te suggereren dat de strenge criteria uit Bronner voor misbruik van machtspositie (artikel 102 VWEU) niet van toepassing zijn bij sanctionering van bevoordeling van eigen diensten door GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon).  

Achtergrond van het arrest

Slovak Telekom (ST), dochtervennootschap van Deutsche Telekom (DT), is de gevestigde telecomexploitant in Slowakije. Met de EU-brede liberalisering van de telecommarkt in 2000 zijn beheerders van telecomnetten wettelijk verplicht toegang te verlenen tot deze netten. Daarmee kunnen concurrenten ook van het net gebruik maken om telecomdiensten aan te bieden aan (eind)gebruikers van telecomdiensten. ST bleef naast deze concurrenten ook zelf actief als dienstverlener aan (eind)gebruikers.

In 2014 heeft de Commissie bij besluit vastgesteld dat ST en DT misbruik van hun machtspositie hebben gemaakt door (i) informatie te onthouden aan alternatieve exploitanten en (ii) oneerlijke voorwaarden en tarieven te hanteren ten aanzien van de aansluiting van die alternatieve exploitanten.

Voor het Gerecht van de Europese Unie (‘Gerecht’) voerden ST en DT aan dat de Commissie onterecht heeft nagelaten de voorwaarden van het Bronner-arrest toe te passen. In dat arrest poogde een Oostenrijks dagblad tevergeefs toegang te verkrijgen tot het landelijke bezorgingsnetwerk van een concurrerend dagblad. Het Hof overwoog dat in deze gevallen enkel sprake is van misbruik van machtspositie (artikel 102 VWEU) wanneer:

  1. weigering van de toegang vermoedelijk leidt tot volledige uitschakeling van concurrentie in de downstream markt;
  2. de toegang onmisbaar is voor actieve deelname in de downstream markt; en
  3. voor de toegangsweigering geen objectieve rechtvaardiging bestaat.

Het Gerecht heeft het litigieuze besluit in hoofdzaak overeind gehouden en overwoog dat de voorwaarden uit Bronner niet van toepassing zijn op zaken waarin de verplichting tot het verlenen van toegang reeds blijkt uit een wettelijk voorschrift.

Het Hof oordeelt met het Gerecht dat de vereisten uit Bronner enkel betrekking hebben op gevallen waarin interventie de dominante onderneming verplicht tot het aangaan van een contract met een concurrent. In die gevallen maakt de interventie namelijk een verregaande inbreuk op de contractsvrijheid van de dominante onderneming, en dusdanige inbreuk is enkel gerechtvaardigd wanneer voor concurrenten geen reëel of potentieel alternatief bestaat. Deze omstandigheden waren in de onderhavige situatie evenwel niet aan de orde, aangezien die contractsvrijheid reeds op grond van een wettelijk voorschrift was ingeperkt. De Europese Commissie hoefde dus niet aan te tonen dat toegang tot het netwerk van ST onmisbaar was voor concurrerende aanbieders om misbruik van een economische machtspositie te bewijzen.

Relevantie voor (aanbieders op) digitale platforms

Kortom, de hoge bewijsstandaard van de Bronner-criteria is uitsluitend van toepassing als misbruik van een economische machtspositie leidt tot een toegangsplicht van de dominante onderneming. Het arrest van het Hof lijkt dus mee te brengen dat de Europese Commissie de onmisbaarheid van het netwerk/platform alleen hoeft te bewijzen als het platform/netwerk iedere toegang weigert.

Tussen de regels door bevat het arrest daardoor ook een interessante overweging voor ondernemingen en zzp’ers die hinder ondervinden van een meer impliciete toegangsweigering tot digitale platforms. Een impliciete toegangsweigering doet zich bijvoorbeeld voor als de voorwaarden voor toegang tot een digitaal platform / netwerk voor een concurrent minder gunstig zijn dan voor de eigenaar van het platform (‘self-preferencing’). Net als ST en anders dan Bronner, laten digitale platforms hun concurrenten (weliswaar niet op grond van een wettelijke plicht) gewoon toe tot hun netwerk. Het Hof overweegt dat de strenge criteria uit Bronner in dat geval niet van toepassing zijn.

De overweging van het Hof zou de Commissie wel eens kunnen helpen in de handhavingsprocedures tegen de grote techplatforms. Self-preferencing is immers precies wat de Europese Commissie de GAFA verwijt. Afgaande op de overwegingen in het arrest Slovak Telekom lijkt de Commissie in die zaken dus niet gebonden aan de strenge criteria uit Bronner voor het aannemen van een overtreding van het verbod op misbruik van machtspositie.