Zoeken
  1. Staan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel aan aanpassing van een overgangsregeling in de weg?

Staan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel aan aanpassing van een overgangsregeling in de weg?

Volgens de Centrale Raad van Beroep dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Wat speelde er? De gemeente Geldrop-Mierlo kende eind jaren ‘90 een van de CAR/UWO afwijkende ouderenregeling. In het Georganiseerd Overleg is getracht dit in overeenstemming te brengen, door voor alle medewerkers aan te sluiten bij de regeling in de CAR/UWO. Partijen kwamen hier niet uit en hebben om arbitrage verzocht. Begin 2000 heeft de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (LAAC) geoordeeld dat het redel...
Artikel | 05 september 2012 | Geeke Hissink
Volgens de Centrale Raad van Beroep dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Wat speelde er? De gemeente Geldrop-Mierlo kende eind jaren ‘90 een van de CAR/UWO afwijkende ouderenregeling. In het Georganiseerd Overleg is getracht dit in overeenstemming te brengen, door voor alle medewerkers aan te sluiten bij de regeling in de CAR/UWO. Partijen kwamen hier niet uit en hebben om arbitrage verzocht. Begin 2000 heeft de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (LAAC) geoordeeld dat het redelijk en billijk was de seniorenregeling te laten vervallen. Wel diende een overgangsregeling te worden getroffen inhoudende dat voor medewerkers die op 30 april 2000 in dienst zijn van de gemeente en op die datum 40+ jaar zijn eenmalig een keuzemogelijkheid wordt geboden tussen de Geldropse seniorenregeling en de regeling van de CAR/UWO.

Eind 2008 is besloten tot nieuw leeftijdsbewust personeelsbeleid met bijbehorend overgangsrecht. Conform dit nieuwe beleid zouden (kort gezegd) medewerkers, die nog onder het oude overgangsrecht vielen, hier geen rechten meer aan kunnen ontlenen. De medewerkers komen op tegen dit nieuwe beleid onder meer door hier beroep tegen in te stellen.

De rechtbank kan zich vinden in het betoog en heeft de regeling onverbindend verklaard wegens strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank overwoog dat het in de kern gaat om intrekking van een overgangsregeling op grond van een bindende arbitrage-uitspraak. Deze is destijds tot stand gekomen om de rechtszekerheid en het vertrouwen van betrokkenen te waarborgen. Intrekking betekent volgens de rechtbank daarom een schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

De Raad gaat hier, zoals aangekondigd, niet in mee. De Raad stelt daarbij voorop dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel niet zo ver strekken dat in een uitzicht op in de toekomst te realiseren aanspraken, en dus voorafgaand aan het daadwerkelijke intreden van die aanspraken, nooit meer verandering zou mogen worden gebracht. Dat het in dit geval aanwezige uitzicht c.q. beleid het gevolg is van een arbitrale uitspraak, maakt niet dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel in dit geval wel per definitie aan verandering van dat uitzicht in de weg staan.

Een heldere uitspraak, temeer omdat de Raad onderstreept dat het in onderhavige kwestie ‘slechts’ ging om een vooruitzicht. Dat de overgangsregeling het gevolg is van arbitrale tussenkomst, biedt de betrokkenen ook geen soelaas. De vraag of de oorsprong van bepaald beleid c.q. of dit is ontstaan uit overeenstemming in het GO, of door tussenkomst van een arbitragecommissie, bepalend zou moeten zijn voor de mogelijkheid dit te wijzigen lijkt mij terecht ontkennend beantwoord.