Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. WABlopen: pensioengevolgen van intraconcerndetachering door nieuw payrollregime; einde personeelsvennootschap?

WABlopen: pensioengevolgen van intraconcerndetachering door nieuw payrollregime; einde personeelsvennootschap?

Welke pensioengevolgen heeft het nieuwe payrollregime van de WAB voor personeelsvennootschappen, dus wanneer er intraconcern gedetacheerd wordt?
Auteur artikelFrédérique Hoppers
Gepubliceerd28 januari 2020
Laatst gewijzigd28 januari 2020
Leestijd 

De afgelopen twee weken hebben wij geprobeerd u vaste grond te bieden tijdens het WABlopen. De WAB heeft ook forse consequenties voor payroll. Misschien niet gelijk op het eerste oog zichtbaar, maar de WAB raakt daarmee ook de personeelsvennootschappen, dus de situaties waarin intraconcern gedetacheerd wordt. In deze bijdrage zullen de gevolgen vanuit pensioenperspectief belicht worden, zowel vanuit het perspectief van de WAB als vanuit het perspectief van het (te wijzigen) Verplichtstellingsbesluit van StiPP.

Onderscheid uitzending en payroll

Onder de WAB wordt een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de uitzendwerkgever en de payrollwerkgever. Een payrollwerkgever vervult anders dan een uitzendwerkgever geen allocatiefunctie. De wetgever beoogt de werknemers in dienst van een payrollwerkgever beter te beschermen. Aan die bescherming wordt invulling gegeven door in de Waadi op te nemen dat (1) gelijke arbeidsvoorwaarden als bij de inlener moeten worden toegepast en (2) een adequate pensioenregeling door de payrollwerkgever getroffen moet worden. Deze tweede eis gaat één jaar later gelden, dus per 1 januari 2021.

Interessant is wat de WAB betekent voor de personeelsvennootschap, dus voor de situaties waarin sprake is van intraconcerndetachering.

Pensioensituatie tot 2021

Op dit moment geldt de verplichte deelneming in het pensioenfonds StiPP voor alle driepartijenverhoudingen (voor zover aan het hoofdzakelijkheidscriterium voldaan is), dus ongeacht of dit uitzending of payrolling is. Dit vloeit voort uit de tekst van het zogenoemde Verplichtstellingsbesluit dat door het ministerie van SZW op verzoek van sociale partners is vastgesteld. Dat - bijvoorbeeld - bij payrolling geen allocatiefunctie door de payrollwerkgever verricht wordt, maakt voor de toepasselijkheid van het Verplichtstellingsbesluit niet uit (zie ook het Care4Care-arrest).

In het Verplichtstellingsbesluit is echter de personeelsvennootschap expliciet uitgezonderd van de verplichtstelling. Hiervan is sprake als de vennootschap uitsluitend arbeidskrachten ter beschikking stelt aan opdrachtgevers binnen het concern.

Pensioensituatie vanaf 2021

Per 1 januari 2021, als de WAB wat betreft het onderdeel pensioen in werking treedt, gaat de hiervoor beschreven situatie bij StiPP veranderen. Dan eindigt de verplichte pensioendeelneming in StiPP voor payrollwerkgevers.

Stipp vermeldt hierover op haar website:

“Vanaf 2021 vallen payrollwerknemers niet meer onder de verplichtstelling. (…) Hoewel de WAB per 1 januari 2020 ingaat, gaat het gedeelte over het pensioen voor payrollwerknemers pas in per 1 januari 2021. Voor 2020 geldt dus dat de verplichtstelling en de StiPP-regelingen nog steeds op u van toepassing zijn.”

Maar hoe zit dit dan met de personeelsvennootschap? Doordat per 1 januari 2021 de payrollwerkgever sowieso niet langer als Werkgever in de zin van het Verplichtstellingsbesluit kwalificeert, zal de personeelsvennootschap zonder allocatiefunctie naar verwachting (hoe dan ook) niet onder het Verplichtstellingsbesluit vallen. Zelfs indien de personeelsvennootschap dan niet als payrollwerkgever maar als uitzendwerkgever zou kwalificeren (bijvoorbeeld als deze tóch een allocatiefunctie zou vervullen), kan die vennootschap immers een beroep doen op de in het Verplichtstellingsbesluit geformuleerde uitzondering. Let wel: de personeelsvennootschap moet in dit laatste geval wel kunnen aantonen dat uitsluitend binnen het concern wordt uitgeleend.

Kortom: vóór 1 januari 2021 in beginsel geen verplichte deelneming voor de personeelsvennootschap in StiPP en na 1 januari 2021 evenmin. De personeelsvennootschap die niet als uitzendwerkgever maar als payrollwerkgever kwalificeert, heeft dan gelet op het (gewijzigde) Werkgeversbegrip niet eens meer de uitzondering in het Verplichtstellingsbesluit nodig, waardoor deze zich minder strikt aan de uitzonderingseis hoeft te houden dat uitsluitend binnen het concern gedetacheerd mag worden. In theorie zou dat vanaf 1 januari 2021 dus meer vrijheid voor de personeelsvennootschap kunnen bieden voor zover deze ook zou willen detacheren buiten het concern zonder met StiPP geconfronteerd te hoeven worden.

Echter, betekent dit dan ook dat de personeelsvennootschap dan vogelvrij blijft op het terrein van pensioen? Dit is zeker niet het geval! Weliswaar kan de personeelsvennootschap StiPP van zich afhouden (voor zover deze geen uitzend-, maar payrollwerkgever is), maar dit laat onverlet de per 1 januari 2021 geldende eis van de adequate pensioenregeling voor de payrollwerkgever en daarmee dus ook voor de personeelsvennootschap die geen allocatiefunctie vervult.

Voornoemde eis staat verwoord in artikel 8a leden 4 en 5 Waadi. Anders dan bij de uitzendwerkgever is de intraconcerndetachering bij de payrollwerkgever niet uitgezonderd in de Waadi. Met andere woorden: weliswaar houdt de personeelsvennootschap StiPP buiten de deur, maar daarvoor in de plaats komt een mogelijk veel duurdere pensioenregeling in beeld. Ofwel de pensioenregeling die bij de inlener geldt ofwel een (eigen) regeling die voldoet aan de wettelijke eisen van een adequaat pensioen.

Personeelsvennootschap minder aantrekkelijk?

Het wel of niet vervullen van de allocatiefunctie door de personeelsvennootschap gaat onder de WAB dus een wezenlijk verschil opleveren. Vervult de personeelsvennootschap die rol niet, dan zal de uitlening naar de werkmaatschappij als payroll in plaats van uitzending kwalificeren. Met gevolg dat de personeelsvennootschap straks weliswaar niet langer onder StiPP valt, maar wel een adequate pensioenregeling zal moeten bieden en ook overigens gelijke arbeidsvoorwaarden als bij de inlener (werkmaatschappij) op grond van de Waadi zal moeten bieden (zoals een eventueel toepasselijke cao!). Dat is in de regel nu juist níet de situatie die destijds bij het hanteren van de constructie van de personeelsvennootschap door de ondernemer beoogd werd. Met de WAB is de intraconcerndetachering dus in een volledig ander - in de regel minder aantrekkelijk - perspectief komen te staan.

Het zou mij in het licht hiervan in ieder geval niet verbazen als personeelsvennootschappen in de toekomst zich nadrukkelijker op het terrein van de allocatiefunctie gaan manifesteren, dus zich als uitzendwerkgever in plaats van payrollwerkgever gaan neerzetten. Voor de uitzendwerkgever is de intraconcerndetachering immers wel in de Waadi uitgezonderd, terwijl dit voor de payrollwerkgever niet het geval is.

Daar waar de personeelsvennootschap zonder allocatiefunctie in het verleden een mooie oplossing leek te bieden voor eigen arbeidsvoorwaarden en geen of een goedkope(re) pensioenregeling, zouden deze vennootschappen in de toekomst zomaar eens in de fuik van de Waadi kunnen lopen.

Tot zover het vervolg van het WABlopen. Loopt u verder met ons mee? Houd dan vooral ons kennisportal met de rubriek Wablopen! in de gaten.