De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wetsvoorstel belastingheffing bovenmatige schulden aan eigen BV ingediend bij Tweede Kamer

Wetsvoorstel belastingheffing bovenmatige schulden aan eigen BV ingediend bij Tweede Kamer

Op Prinsjesdag 2018 kondigde het kabinet een wetsvoorstel aan op basis waarvan inkomstenbelasting in box 2 zou worden geheven over het bovenmatige gedeelte van schulden aan de vennootschap van de directeur-groot-aandeelhouder en andere aanmerkelijkbelanghouder (hierna tezamen: AB-houder). Een conceptwetsvoorstel is ter consultatie aangeboden aan geïnteresseerden. Op 17 juni 2020 is een definitief wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel komt grotendeels overeen met het conceptwetsvoorstel, al zijn er ook aanpassingen te ontdekken. In dit artikel wordt daarop ingegaan.
Auteur artikelLex van Noordenburg
Gepubliceerd18 juni 2020
Laatst gewijzigd18 juni 2020
Leestijd 

Kern van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel komt er in het kort op neer dat in box 2 inkomstenbelasting zal worden geheven over schulden van de AB-houder aan zijn of haar vennootschap als de totale som van de schulden op 31 december van een jaar (direct of indirect) meer bedraagt dan € 500.000. 

De inhoud van het wetsvoorstel dat op 17 juni 2020 aan de Tweede Kamer is aangeboden is grotendeels gelijk aan het conceptwetsvoorstel van Prinsjesdag 2018. Voor de inhoud van de regeling verwijzen wij dan ook graag naar ons artikel van 8 maart 2019. Hierna behandelen wij een aantal belangrijke onderwerpen en aanpassingen. 

Ingangsdatum

De oorspronkelijk ingangsdatum van de wet was gepland op 1 januari 2022. Door de coronacrisis heeft het kabinet de ingangsdatum uitgesteld naar 1 januari 2023. Dit betekent ook dat de datum van de beoordeling of sprake is van een bovenmatige schulden is verschoven van 31 december 2022 naar 31 december 2023. 

Doelgroep

Het gaat om schulden van de AB-houder en zijn of haar partner aan de vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. Deze schulden worden voor de regeling samengeteld. Het maakt niet uit wie de schuld is aangegaan. De partner hoeft zelf geen AB-houder in de vennootschap te zijn. De regeling is ook van toepassing op schulden die zijn aangegaan door bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de AB-houder of van zijn of haar partner. Het gaat om het familieverband van (groot)ouders en (klein)kinderen.

Werking van de maatregel

Er is bij de consultatieronde veel kritiek gekomen op de werking van de maatregel, omdat sprake zou zijn van dubbele belastingheffing. Voor de belastingheffing in box 2 werd als fictief inkomen aangemerkt het gedeelte van de schulden die op de peildatum 31 december boven € 500.000 uitkwam. Er was geen compensatieregeling opgenomen als deze schuld later geheel of gedeeltelijk werd afgelost. Het kabinet zag geen oplossing in een verhoging van de fiscale verkrijgingsprijs van de aandelen van de AB-houder met het fictieve inkomen, zoals dat onder andere wordt toegepast bij belangen in buitenlandse beleggingsmaatschappijen of vrijgestelde beleggingsinstellingen (VBI's) die feitelijk geen dividend uitkeren. Het kabinet komt daarom met een andere oplossing. Als de bovenmatige schuld in een later jaar daalt door aflossing, dan mag voor het verschil in box 2 een negatief fictief inkomen in aanmerking worden genomen tot maximaal het bedrag dat eerder als fictief inkomen belast is geweest. Het grensbedrag blijft € 500.000.

Een voorbeeld op basis van ons artikel van 8 maart 2019

Jaar 1:

Een AB-houder en zijn partner hebben ultimo 2022 schulden aan de eigen BV van in totaal € 800.000. Geen van de schulden kwalificeert als eigenwoningschuld. In box 2 dient bij de AB-houders een fictief inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te worden genomen ter grootte van het bovenmatige gedeelte van € 300.000 (€ 800.000 minus € 500.000 grensbedrag). Het inkomen vormt gemeenschappelijk inkomen en mag voor de belastingheffing binnen de wettelijke bepalingen onderling vrij aan de fiscale partners worden toegerekend. Het grensbedrag van € 500.000 wordt met € 300.000 verhoogd naar € 800.000.

Jaar 2:

De AB-houder en zijn partner hebben de schuld aan de eigen BV afgelost met € 400.000. Het saldo van de schulden op 31 december bedraagt € 400.000. In box 2 mag een negatief fictief inkomen in aftrek worden gebracht van maximaal € 300.000 (het bedrag van het positieve fictieve inkomen in jaar 1). Het grensbedrag voor de bepaling of sprake is van bovenmatige schulden bedraagt € 500.000.

Het gevolg van de nieuwe maatregel is dat bij een daadwerkelijke aflossing van de schuld, de bijtelling in box 2 wegens positief fictief inkomen in een eerder jaar geheel of gedeeltelijk wordt teruggenomen door een aftrek van negatief fictief inkomen in het jaar van de aflossing.

Verliesverrekening

Met de regeling van negatief fictief inkomen komt ook de mogelijkheid van verliesverrekening in box 2 binnen bereik. Een negatief fictief inkomen van € 300.000 uit voornoemd voorbeeld mag in jaar 2 in box 2 worden verrekend met overig inkomen uit aanmerkelijk belang, zoals dividend en vervreemdingsvoordelen. Als verrekening in dat jaar niet mogelijk is, dan kan verrekening plaatsvinden met box 2-inkomen uit het voorafgaande jaar (carry-back) of in de zes volgende kalenderjaren (carry-forward). Onder omstandigheden is een belastingkorting op de verschuldigde inkomstenbelasting in box 1 mogelijk als geen verrekening kan plaatsvinden, omdat geen aanmerkelijk belang meer aanwezig is. 

Uitgezonderde schulden

In het conceptwetsvoorstel is al opgenomen dat schulden die kwalificeren als eigenwoningschulden zijn uitgezonderd van de regeling voor zover ten aanzien van die schuld een recht van hypotheek is verstrekt aan de vennootschap. Voor op 31 december 2021 bestaande schulden geldt het hypotheekvereiste niet. In het wetsvoorstel is deze datum met een jaar opgeschoven naar 31 december 2022.

Commentaar

Met de indiening van het wetsvoorstel is duidelijk geworden dat het kabinet zich wat de ingangsdatum betreft richt op 1 januari 2023 in plaats van 1 januari 2022. De peildatum voor de beoordeling of sprake is van bovenmatige schulden is nu bepaald op 31 december 2023. Hierdoor hebben AB-houders een jaar langer de tijd om schulden aan de eigen vennootschap af te bouwen. In dit kader kan bijvoorbeeld gedacht worden aan dividenduitkeringen, herfinanciering van de schulden bij een bank en de overdracht van vermogensbestanddelen vanuit privé naar de vennootschap. Hierbij kunnen in de afweging andere fiscale aspecten een rol spelen. Onder omstandigheden kan het voor een AB-houder en zijn of haar partner juist fiscaal interessant worden schulden met de eigen vennootschap aan te gaan tot maximaal het grensbedrag van € 500.000 als er nog geen schulden tot dat niveau aanwezig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een herfinanciering van privébezittingen, zoals vastgoed. Een en ander is afhankelijk van het uiteindelijke rendement op de privébezittingen met inachtneming van de rentelasten op de schuld en de (overige) fiscale aspecten.

Heeft u vragen over het wetsvoorstel? Neemt u dan contact op met Lex van Noordenburg en/of Jondalar van Heugten.