De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wie betaalt nu de boete?

Wie betaalt nu de boete?

In het arrest van 13 juni 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat TNT Post de verkeersboetes van haar werknemers niet hoeft te betalen. In mei 2006 had het gerechtshof in Den Haag in dezelfde zaak nog bepaald dat het de werkgever niet was toegestaan om de bekeuringen, die haar chauffeurs tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden voor (snelheids)overtredingen opgelegd kregen, ook op deze werknemers te verhalen. Op grond van artikel 7:661 lid 1 BW is de werknemer, die bij de uitvoering van de ove...
Leestijd 
Auteur artikel Dirkzwager
Gepubliceerd 08 juli 2008
Laatst gewijzigd 16 april 2018
 
In het arrest van 13 juni 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat TNT Post de verkeersboetes van haar werknemers niet hoeft te betalen. In mei 2006 had het gerechtshof in Den Haag in dezelfde zaak nog bepaald dat het de werkgever niet was toegestaan om de bekeuringen, die haar chauffeurs tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden voor (snelheids)overtredingen opgelegd kregen, ook op deze werknemers te verhalen. Op grond van artikel 7:661 lid 1 BW is de werknemer, die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derden jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Volgens het gerechtshof zal er bij een overschrijding van een maximum snelheid tot 10 km/h, in zijn algemeenheid niet snel sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Het is immers een algemeen ervaringsfeit dat men in het verkeer even iets te hard rijdt. Soms vereist de verkeerssituatie ook dat men over een korte afstand te hard rijdt. Is de overschrijding van de maximum snelheid echter meer dan 10 km/h, dan zou volgens het gerechtshof wél sprake zijn van opzet (of daarmee gelijk te stellen schuld), behoudens bijzondere omstandigheden. Het gerechtshof in Den Haag heeft destijds- volstrekt arbitrair - de grens gelegd bij een overschrijding van een maximum snelheid tot 10 km/h.

TNT Post liet het er niet bij en stelde, met succes, cassatieberoep in.

Werkgevers worden doorgaans geconfronteerd met verkeersboetes van werknemers omdat zij als kentekenhouder staan geregistreerd. Op grond van art. 5 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) bestaat de mogelijkheid een sanctie op te leggen aan een ander dan degene die de gedraging in feite heeft begaan. Als niet direct duidelijk is wie de bestuurder is, wordt de sanctie opgelegd aan de kentekenhouder.

Bij de totstandkoming van de WAHV is de wetgever er vanuit gegaan dat de kentekenhouder de boete zou kunnen verhalen op degene die feitelijk het voertuig heeft bestuurd. In de arbeidsverhouding staat art. 7:661 lid 1 BW daaraan in de weg. Volgens dat artikel dient de werkgever de aan hem (of aan derden) toegebrachte schade door handelen van de werknemer in beginsel zelf te dragen, behoudens indien zich een uitzonderingssituatie voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval bij opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Een andere uitzondering doet zich voor indien schriftelijk met de werknemer is overeengekomen dat de werknemer zelf aansprakelijk is voor de schade en slechts voor zover de werknemer ‘te dier zake verzekerd is’. Het is niet mogelijk om een verzekering tegen boetes af te sluiten, zodat aan deze uitzonderingsbepaling nauwelijks wordt toegekomen.

Het uitgangspunt is dat de werkgever de gevolgen draagt van fouten die de werknemer tijdens zijn werkzaamheden begaat. Het is immers de werkgever die werkzaamheden opdraagt aan de werknemer en daarbij moet ook het risico worden gedragen dat de werknemer wellicht schade toebrengt aan de werkgever of aan derden. Bovendien wordt het risico van schade vergroot door de ervaringsregel dat de werknemer bij de dagelijkse omgang met machines, werktuigen en gereedschappen niet altijd alle voorzichtigheid in acht zal nemen die nodig is. Zo treedt ook bij mensen die beroepsmatig veel op de weg zijn een zekere nonchalance op. Daar staat echter tegenover dat een boete voor een verkeersovertreding nu juist bedoeld is als prikkel tot daadwerkelijke naleving van de verkeersvoorschriften. Als deze boete nu aan de werkgever wordt opgelegd, dan treft de prikkel niet de persoon die ook daadwerkelijk de verkeersovertreding heeft begaan. Een werkgever zou via de instructiebevoegdheid de werknemer kunnen aanspreken op naleving van de verkeersvoorschriften tijdens de werkzaamheden. Niet naleving van de instructie zou dan weer kunnen leiden tot disciplinaire maatregelen tegen werknemers die (bovengemiddeld) inbreuk maken op de voorschriften.

Toch oordeelt de Hoge Raad nu dat het niet vanzelfsprekend is dat de werkgever, als kentekenhouder, aansprakelijk is voor de verkeersboete die veroorzaakt is door de werknemer. Er is namelijk nog een uitzondering mogelijk op de ‘hoofdregel’ en daar gaat de Hoge Raad op in. Hiermee komt de Hoge Raad terug op een eerder arrest van 2001. In dat arrest (Hoge Raad 3 januari 2001, nummer 35 438, BNB 2001/89) oordeelde de Hoge Raad dat de werkgever de verkeersboetes als gevolg van snelheidsovertredingen gepleegd door de werknemer niet op de betreffende werknemer kon verhalen, behoudens een van de uitzonderingen genoemd in artikel 7:661 BW. De Hoge Raad is nu een andere mening toegedaan.

Uitgangspunt is dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding. In de praktijk betaalt de werkgever hiervoor de boete. Volgens de Hoge Raad ligt het voor de hand aan te nemen dat zich hier een categorie van gevallen voordoet waarvoor in de wet nu juist een uitzondering is toegelaten. De Hoge Raad oordeelt niet dat het begaan van een verkeersovertreding door de werknemer valt te kwalificeren als opzet of bewuste roekeloosheid, maar oordeelt wél dat uit de omstandigheden van het geval mede gelet op de aard van de overeenkomst, een andere verdeling van de aansprakelijkheid kan voortvloeien. Ook dit is één van de uitzonderingsmogelijkheden op grond van artikel 7:661 BW. Strikte toepassing van de hoofdregel kan volgens de Hoge Raad tot een niet te verklaren onderscheid leiden. Voor boetes die zijn opgelegd aan de werkgever als kentekenhouder, bijvoorbeeld bij een auto van de zaak, is werkgever aansprakelijk, terwijl voor boetes die aan werknemer als kentekenhouder voor een vergelijkbare overtreding in de uitoefening van de werkzaamheden worden opgelegd, de werknemer aansprakelijk is. Dit verschil valt niet te verklaren, zeker niet als bedacht wordt dat de boetes alleen aan werkgever als kentekenhouder worden opgelegd vanuit justitiële efficiency.