Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wijziging besluit oproepovereenkomsten

Wijziging besluit oproepovereenkomsten

Op 18 oktober 2019 schreef minister Koolmees (SZW) een brief aan de Tweede Kamer. In deze brief schreef de minister dat het Besluit houdende nadere regels over oproepovereenkomsten wordt gewijzigd. De wijziging ziet op de toepassing van de oproepmaatregelen en de WW-premiedifferentiatie. In dit artikel zullen wij ingaan op de gevolgen van deze wijziging.
Auteur artikelAnton Sijbring
Gepubliceerd29 oktober 2019
Laatst gewijzigd29 oktober 2019
Leestijd 

Oproepovereenkomst

Met de komst van de Wet arbeidsmarkt in balans (hierna: WAB) wordt in de wet een definitie van een oproepovereenkomst opgenomen in artikel 7:628a lid 9 BW: “van een oproepovereenkomst is sprake indien:

  • De omvang van de arbeid niet is vastgelegd als één aantal uren per tijdseenheid van ten hoogste een maand of ten hoogste een jaar en het recht op loon van de werknemer gelijkmatig is gespreid over die tijdseenheid; of
  • De werknemer op grond van artikel 7:628 lid 5 of lid 7 BW geen recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.”

Voor meer informatie over de oproepovereenkomst kunt u terecht bij dit artikel.

Indien de arbeidsovereenkomst voldoet aan bovenstaande definitie is in principe sprake van een oproepovereenkomst. Hier bestaan echter een aantal uitzonderingen op. Deze uitzonderingen zijn vastgelegd in het Besluit houdende nadere regels over oproepovereenkomsten (hierna: het besluit). In dit besluit is geregeld dat een arbeidsovereenkomst niet wordt beschouwd als oproepovereenkomst in de zin van artikel 7:628a BW indien – naast de vastgelegde omvang van de arbeid als één aantal uren per tijdseenheid – bereikbaarheidsdiensten in de zorg of consignatiediensten zijn overeengekomen die worden vergoed of gecompenseerd in vrije tijd. Deze uitzondering kan nadelige gevolgen hebben voor de hoogte van de WW-premie, waarover later in dit artikel meer.

WW-premiedifferentiatie

De werkgever betaalt premies voor werknemersverzekeringen over het loon van de werknemers. Deze verzekeringen verzekeren werknemers tegen onder andere het verlies van inkomen als gevolg van werkloosheid. Voor deze verzekering bestaat de WW-premie. Met de komst van de WAB verdwijnt de bestaande premiedifferentiatie per sector.

In plaats daarvoor komt een premiedifferentiatie naar de aard van de arbeidsovereenkomst: Er komt een lage WW-premie voor bepaalde vaste arbeidsovereenkomsten en een hoge WW-premie voor flexibele arbeidsovereenkomsten. De hoge WW-premie wordt op vijf procentpunten hoger vastgesteld dan de lage WW-premie. Met deze maatregel wil de regering het aangaan van vaste arbeidsovereenkomsten stimuleren. Er is specifiek voor de oproepovereenkomst geregeld dat daarop de hoge WW-premie van toepassing is. 

30%-Regel

De regering wil voorkomen dat de hoge WW-premie wordt omzeild door het aangaan van vaste contracten met een beperkt aantal vaste uren, waarbij vervolgens (structureel) overwerk ingezet wordt als flexibele arbeid. Als gevolg hiervan wordt vanaf 1 januari 2020 in het Besluit Wfsv geregeld dat wanneer de werknemer in een kalenderjaar meer dan 30% extra uren wordt verloond dan vastgelegd in de arbeidsovereenkomst, met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie van toepassing is. 

Gevolgen voor bereikbaarheids- en consignatiediensten 

Zoals hierboven aan bod is gekomen zijn bereikbaarheidsdiensten en consignatiediensten uitgezonderd van de definitie voor een oproepovereenkomst. Aan deze uitzondering is in het besluit toegevoegd dat sprake moet zijn van een vergoeding of compensatie in vrije tijd per uur, vanwege de zichtbaarheid van deze diensten in de loonaangifte. Het gevolg hiervan is echter dat wanneer een vergoeding per uur plaatsvindt en deze diensten meer dan 30% van de overeengekomen arbeidsomvang omvatten, de werkgever de WW-premie zou moeten herzien naar de hoge WW-premie. 

Het blijkt echter zo te zijn dat veel cao’s alleen verloning of compensatie in vrije tijd per dienst mogelijk maken en niet per uur. Een vergoeding per dienst voldoet logischerwijs niet aan een vergoeding per uur. Het vereiste dat sprake moet zijn van een verloning of compensatie per uur zou dus problemen opleveren voor de implementatie van de oproepmaatregelen en WW-premiedifferentiatie in de sectoren waar beschikbaarheids- en consignatiediensten niet per uur maar per dienst verloond worden.

Dit zou tot het gevolg kunnen leiden dat hele arbeidsovereenkomsten als oproepovereenkomst worden gekwalificeerd en dat daarop dus de hoge WW-premie van toepassing is. Dit wordt door de minister niet beoogd en is volgens hem ongewenst.

Gevolgen wijziging

Bovenstaande heeft geleid dat het besluit zo wordt gewijzigd dat het vereiste dat sprake moet zijn van een vergoeding of compensatie per uur komt te vervallen. Dit komt de uitvoerbaarheid voor werkgevers per 2020 ten goede, zonder de noodzaak om cao’s aan te passen. Het gevolg van de wijziging in het besluit is dat de uren in de bereikbaarheids- en consignatiediensten slechts zullen meetellen voor de vraag of herziening van de WW-premie aan de orde is als daadwerkelijk extra wordt gewerkt. Via deze weg wordt het dus alsnog mogelijk gemaakt om arbeidsovereenkomsten met bereikbaarheids- of consignatiediensten overeen te komen, zonder dat sprake is van een oproepovereenkomst en bijbehorende hogere WW-premie.

Indien u (naar aanleiding van dit artikel) vragen heeft over oproepovereenkomsten en/of de hoogte van de WW-premie kunt u natuurlijk altijd bij ons terecht!