Raad van State niet overtuigd van Wet VBAR: ‘fundamentele hervormingen ontbreken’

15 november 2024

De afdeling Advisering van de Raad van State (hierna: “de Raad”) heeft stevige kritiek geuit op het wetsvoorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (hierna: “Wet VBAR”). In deze blog gaan wij eerst kort in op de strekking van het wetsvoorstel, waarna wij de kritiek van de Raad uiteenzetten. 

Maaike de Jonge
Maaike de Jonge
Advocaat - Senior
In dit artikel

De Wet VBAR regelt twee zaken die de arbeidsrechtelijke gemoederen al lang bezig houden: de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst en (dus ook) het terugdringen van schijnzelfstandigheid. Voor meer informatie over de wet kunt u hier onze analyse van de Wet VBAR lezen: Nieuwe versie Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden: van ABC naar WZOP

Strekking wetsvoorstel

Het wetsvoorstel maakt deel uit van het ‘arbeidsmarktpakket’, wat als doel heeft meer zekerheid en bescherming voor werkenden en meer wendbaarheid voor ondernemingen te creëren. De Wet VBAR, die schijnzelfstandigheid poogt te voorkomen en meer duidelijkheid moet geven over wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel geeft een drietal criteria – de zogeheten WZOP-criteria – om te bepalen wanneer sprake is van (schijn)zelfstandigheid of werknemerschap. Het tweede deel geeft een rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van uurtarief: van ZZP’ers die minder dan €33,- per uur verdienen wordt vermoed dat zij werknemer zijn. 

Schijnzelfstandigheid

De Raad stelt, in navolging van de regering, dat sommige mensen noodgedwongen als ZZP’er werken. Volgens de Raad heeft deze groep een zwakke positie ten opzichte van hun werkgevenden, “zeker wanneer deze werkenden sterk afhankelijk zijn van een of enkele opdrachtgevers en zij slechts beperkte zeggenschap hebben over de manier van werken.” In dergelijke gevallen kan sprake zijn van schijnzelfstandigheid, de situatie waarin iemand werkt als zelfstandige maar juridisch gezien een arbeidsovereenkomst heeft. Deze groep is om verschillende redenen kwetsbaar. Zo hebben deze zelfstandigen vaak een onzeker en laag inkomen, waardoor het voor hen moeilijk is om iets op te bouwen. Daarnaast kunnen zij geen beroep doen op arbeidsrechtelijke bescherming bij ziekte of ontslag en worden voor hen geen premies afgedragen voor werknemersverzekeringen – wat ten koste gaat van hun sociale zekerheid. De impact van deze problemen is dermate groot omdat schijnzelfstandigheid zich met name aan de basis van de arbeidsmarkt voordoet.

De Raad erkent deze problemen, maar stelt dat het wetsvoorstel deze niet oplost.  Het wetsvoorstel richt zich namelijk alleen op ‘schijnzelfstandigen’, maar de groep werkenden die deze problemen ondervindt is in werkelijkheid breder, denk daarbij aan ‘echte’ zelfstandigen en flexwerkers. 

Behoefte aan gelijke behandeling

De Raad erkent dat de status van schijnzelfstandige de sociale zekerheid van de werkende aantast. Tegelijkertijd stelt de Raad, in navolging van de regering, dat schijnzelfstandigen, door hun beperkte bijdrage, het draagvlak en de betaalbaarheid van de stelsels van sociale zekerheid, pensioenen en belastingen doen afnemen. De Raad stelt dat de wet te weinig doet aan de toename van het aantal zelfstandigen en hier dus onvoldoende aandacht aan besteedt. Volgens de Raad is nodig dat werknemers en zelfstandigen in toepasselijke regelgeving gelijk(er) worden behandeld. 

Beperkte toegevoegde waarde gezagscriterium

Zoals in het eerdere blog uitgelegd voorziet de wet VBAR in een invulling van het gezagscriterium. De Raad merkt op dat deze invulling aansluit bij de meest recente jurisprudentie en dat niet is gekozen voor een nieuw criterium. Hoewel de Raad het begrijpelijk vindt dat het geldende recht wordt gecodificeerd, stelt hij dat de toegevoegde waarde beperkt lijkt: de bestaande jurisprudentie wordt tenslotte al gevolgd. Voor de Raad speelt ook mee dat het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen in de praktijk beter zal worden gerealiseerd vanwege de beëindiging van het handhavingsmoratorium Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties

De Raad is met name kritisch op het toetsingskader voor werken ‘in dienst van’ – het afwegen van de W- en Z-factoren (en eventueel de OP-factor) – dat het wetsvoorstel met zich meebrengt. De Raad zegt hierover: “De vraag is echter in hoeverre het voorgestelde toetsingskader deze beoordeling daadwerkelijk eenvoudiger zal maken. (...) Het voorgestelde toetsingskader suggereert een mate van exactheid die (…) moeilijk waargemaakt kan worden.” 

Armoedig rechtsvermoeden

De Raad gaat ook in op het rechtsvermoeden van werknemerschap. Hoewel de Raad positief is over het rechtsvermoeden als ondersteuningsmiddel voor werkenden bij het opeisen van een arbeidsovereenkomst bij de werkgever of bij de rechter, stelt hij ook vraagtekens bij het rechtsvermoeden. 

Zo verwacht de Raad dat de stap naar de rechter voor veel werkenden (te) groot blijft. Ook het feit dat veel nadelen van schijnzelfstandigheid – bij arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of pensionering – pas op de lange termijn aan het licht komen, kan er volgens de Raad toe leiden dat het rechtsvermoeden weinig zal worden gebruikt.
 
Tot slot merkt de Raad op dat de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst ook op vlakken als bijvoorbeeld pensioen en sociale zekerheid verstrekkende gevolgen kan hebben. Zo kan de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht naheffing betekenen ten aanzien van niet-afgedragen pensioenpremies en loonpremies. Volgens de Raad heeft de regering onvoldoende verduidelijkt hoe dergelijke risico’s kunnen worden beperkt.

Hoe nu verder?

Al met al meent de Raad dat de aanpak van de regering in het hervormen van de arbeidsmarkt tekort schiet. De voorgestelde wetswijzigingen zijn volgens de Raad weliswaar nuttig en begrijpelijk, maar zorgen niet voor fundamentele hervormingen. Bovendien is onvoldoende duidelijk wat de voorstellen voor invloed hebben op sociale zekerheid, pensioen en fiscale regelingen.
 
Het is nu aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om te beslissen of de wet VBAR al dan niet wordt aangepast naar aanleiding van het advies van de Raad. Daarna zal het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Vooralsnog staat de beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2026, waarbij het maar de vraag is of deze datum kan worden gehaald.  In elk geval is duidelijk dat de wetsvoorstellen vragen oproepen bij onder andere werkgevers, werknemers en uitvoeringsorganisaties. 

Mocht u op de hoogte willen blijven van de ontwikkelingen rondom deze wetsvoorstellen, houd dan vooral onze website en LinkedIn in de gaten.

Gerelateerd

Loonverschillen na overgang van onderneming: wat vereist Richtlijn 2023/970?

Het uitgangspunt is helder: werknemers die gelijk of gelijkwaardig werk verrichten, moeten daarvoor gelijk worden beloond, ongeacht hun geslacht. Dat...

Ontslag na overgang onderneming: Hoge Raad verduidelijkt ETO-redenen

In een uitspraak van 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de reikwijdte van het opzegverbod bij overgang van onderneming. De Hoge Raad...

De pensioentransitie: praktische tips voor werkgevers

De pensioentransitie is een complex en langdurig traject. Werkgevers moeten niet alleen juridisch correct handelen, maar ook draagvlak creëren bij werknemers...

Stappenplan pensioentransitie: van analyse naar implementatie vóór 2028

De pensioentransitie vraagt om een gestructureerde aanpak. Werkgevers en sociale partners hebben tot 1 januari 2028 de tijd om hun pensioenregelingen in lijn...

Te late implementatie Richtlijn gelijke beloning: wat zijn de juridische gevolgen?

Nederland gaat de implementatiedeadline van Richtlijn (EU)2023/970 niet halen. De Europese Commissie heeft herhaaldelijk benadrukt dat zij verwacht dat...

Regeerakkoord 2026–2030: wat betekenen de plannen voor arbeid en pensioen?

Op 30 januari 2026 hebben D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord ‘Aan de slag’ gepresenteerd. Het akkoord bevat een breed pakket aan voorgenomen maatregelen op...
No posts found
Events

Aankomende online en live events

We delen diepgaande kennis en pragmatische inzichten over actuele onderwerpen in het vakgebied en de maatschappelijke thema's waar we dichtbij staan.

09
april
2026
Seminar
Aanbesteding & Mededinging
Actualiteitenbijeenkomst Aanbestedingsrecht 2026

Het is inmiddels een begrip in aanbestedingsland: de Dirkzwager Actualiteitenbijeenkomst in Nijmegen-Lent. Hopelijk bent u er dit jaar ook (weer) bij op 9 april 2026.

Nijmegen
13:30 - 17:45
21
april
2026
Webinar
Zorg & Sociaal domein
Kwaliteitsregistraties: nieuwe verplichtingen, aandachtspunten en kansen sinds 1 januari 2026

De Wet kwaliteitsregistraties zorg (Wkz) verandert de manier waarop kwaliteitsregistraties in de zorg worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te kunnen verbeteren.   Een kwaliteitsregistratie verzamelt patiëntgegevens bij verschillende zorgaanbieders om de kwaliteit van zorg, bijvoorbeeld bij een bepaalde aandoening, te meten en te verbeteren. Deze wet introduceert een wettelijke plicht voor zorgaanbieders om patiëntgegevens aan te leveren aan de kwaliteitsregistratie. Dat biedt kansen: toestemming van de patiënt is niet langer het uitgangspunt, maar vraagt tegelijkertijd om herziening van het interne beleid, waarbij aandacht moet zijn voor de privacyrechtelijke implicaties van de wet (waaronder de inrichting van een opt-out).

Wat betekent dit concreet voor uw organisatie en wat moet u regelen? Onze specialisten geven een compleet en praktisch overzicht van wat de wet verlangt, zodat u weet waar bijsturing nodig is en waar kansen liggen.

Online
10.00 - 11.30
Liever een inhouse training op maat?

Wij organiseren ook events op maat. Van kleine tot grote groepen, we zorgen voor een inspirerende sessie afgestemd op uw wensen. Informeer naar de mogelijkheden.

Contact opnemen