Zoeken
  1. Annotatie bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:350

Annotatie bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:350

Verlening tijdelijke omgevingsvergunning is in strijd met evenredigheidsbeginsel uit Wet Bibob
Verschenen in: Jurisprudentie Milieurecht 2019, afl. 4
Auteur publicatieJelmer Keur
Gepubliceerd17 april 2019
Laatst gewijzigd17 april 2019
Leestijd 

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college van GS van Groningen aan appellante een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een bestaande inrichting en het bouwen van een Klein Gevaarlijk Afval (KGA)-depot aan een locatie te Eemshaven (hierna: het perceel) en bepaald dat de vergunning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar. Appellante heeft sinds 21 juni 2005 een omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de over- en opslag en het be- en verwerken van primaire en (verontreinigde) secundaire bouwstoffen en afvalstoffen op het perceel. Zij maakt onderdeel uit van een bedrijf waarin een aantal andere vestigingen is opgenomen die soortgelijke activiteiten uitvoeren.

De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 18 juli 2017 niet evenredig is als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. Zonder af te willen doen aan de ernst van de hiervoor onder 16.3 en de overige in het Bibob-advies omschreven strafbare feiten, is de Afdeling niettemin van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een situatie waarin de overheid met de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning ongewild betrokken raakt bij het faciliteren van criminele activiteiten. Weliswaar is in het Bibob-advies geconcludeerd dat ernstig gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, maar de ernst en aard van deze feiten en het tijdsverloop sinds het zich voordoen van een deel van de feiten rechtvaardigen niet dat aan een omgevingsvergunning voor een bestaande inrichting een beperkte geldigheidsduur van vijf jaar wordt verbonden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de in deze procedure voorliggende omgevingsvergunning een revisievergunning betreft voor een bestaande, grotendeels reeds vergunde inrichting. Dat de inrichting reeds is vergund, staat anders dan appellante heeft betoogd weliswaar niet in de weg aan het uitvoeren van een Bibob-onderzoek, maar dient wel bij de beoordeling van de evenredigheid van de op het Bibob-onderzoek gebaseerde besluit te worden betrokken. De conclusie is dat de verlening van de omgevingsvergunning voor een termijn van vijf jaren in strijd is met artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob.

Download publicatie