Geen directe verplichtingen voor werkgevers
Het uitgangspunt in het Unierecht is dat richtlijnen geen horizontale rechtstreekse werking hebben. Dat betekent dat werknemers zich vanaf 7 juni 2026 niet rechtstreeks tegenover private werkgevers kunnenberoepen op de loontransparantierichtlijn. Ook na het verstrijken van de implementatietermijn ontstaan voor werkgevers dus niet automatisch afdwingbare verplichtingen uit de richtlijn.
Concreet houdt dit in dat private werkgevers in de tussenfase nog niet rechtstreeks kunnen worden verplicht tot bijvoorbeeld loonrapportage of het verstrekken van aanvullende beloningsinformatie op basis van de richtlijn alleen.
Wel indirecte doorwerking via de rechter
Dat betekent niet dat de richtlijn in de tussenfase betekenisloos is. Nationale rechters zijn verplicht het bestaande Nederlandse recht zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen. In geschillen over gelijke beloning kan de richtlijn daarom een duidelijke rol spelen bij de invulling van open normen, zoals de uitleg van het gelijke behandelingsrecht en de bewijslastverdeling.
Die richtlijnconforme interpretatie kent grenzen: zij mag niet leiden tot een uitleg die strijdig is met het nationale recht. Nieuwe verplichtingen kunnen via deze route niet worden gecreëerd, maar bestaande normen kunnen wel strenger worden ingevuld.
Wél rechtstreekse werking tegenover de staat
In de verhouding tussen burgers en de staat ligt dit anders. Wanneer een richtlijn niet tijdig is geïmplementeerd, kunnen particulieren zich onder voorwaarden rechtstreeks beroepen op voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen tegenover de staat of een aan de staat toe te rekenen werkgever. Voor werknemers bij publieke werkgevers kan de richtlijn vanaf juni 2026 dus al directe betekenis krijgen.
Staatsaansprakelijkheid blijft een reëel risico
Daarnaast kan de Nederlandse staat aansprakelijk zijn voorschade die ontstaat door niet-tijdige implementatie. Dat vereist wel dat een werknemer concrete schade kan aantonen die rechtstreeks voortvloeit uit het ontbreken van nationale omzetting. In de praktijk zal dat geen eenvoudige routezijn, maar het risico bestaat wel degelijk.
Rapportageverplichtingen gelden nog niet
In de praktijk krijgen wij regelmatig de vraag of werk gevers in de tussenfase al gehouden zijn aan de rapportageverplichtingen uit de richtlijn. Dit is niet het geval.
De rapportageverplichtingen vergen nadere nationale uitwerking. Zij zijn niet zodanig duidelijk en onvoorwaardelijk dat zij in de tussenfase rechtstreeks kunnen worden afgedwongen. Werkgevers zijn daarom niet verplicht om over verslagjaar 2026 te rapporteren zolang de Nederlandse wetgeving ontbreekt.
Slot
De te late implementatie van de richtlijn loontransparantie creëert een juridisch relevante tussenfase. In die periode gelden de nieuwe verplichtingen nog niet volledig, maar kan de richtlijn wél doorwerken via richtlijn conforme interpretatie en tegenover de staat via rechtstreekse werking. Loontransparantie is daarmee geen kwestie van ‘alles of niets’, maar een kwestie van timing, rechtspositie en voorbereiding. Meer weten? Bekijk ook de eerdere delen uit deze reeks: deel één, deel twee, deel drie, deel vier, deel vijf en deel zes. Aarzel ook niet om contact met ons op te nemen via de contactpagina.